Jouw schemerland
Schemerland is een plek waar de dag duurt voor altijd. Er is geen morgen of gisteren.
Het is een plek waar je kan zijn wie je wil zijn. Er zijn monsters, maar die kan je wegjagen.
- Na het zien van de voorstelling, wat was Schemerland voor jou?
- Was het te zien op podium? Was het te horen? En wat was er zo specifiek aan?
Luister naar onderstaand nummer.
Aan welk moment in de voorstelling denk je terug?
OPDRACHT
Zoek een voorwerp dat voor jou uniek is aan je huis. Welk voorwerp zou je meenemen uit je eigen huis als je zou moeten verhuizen naar een nieuw huis?
Bouw in groepjes van 4 je eigen Schemerland. Wat heb je nodig van materiaal, decor, licht,…? Welke personages spelen erin mee? Zoek een kostuum voor je personage: wat voor iemand is het? Welke kleren zou die mooi vinden? Denk ook samen na over passende muziek. Is het achtergrondmuziek, reageren de personages op de muziek? Wordt er gezongen? Of gedanst? Voor elkaar gezorgd?
OPDRACHT
Wat is jouw Schemerland? Maak een tekening van jouw ideale plaats waar je helemaal tot rust zou komen. Is het een plek buiten? Of binnen? Ben je nog in België?
Zijn er mensen op je ideale plaats? Wie? Heb jij een plek waar je aan denkt als je je even niet goed voelt?
OPDRACHT
Dit is een klasopdracht. Deze opdracht komt uit pagina 20 van het lessenpakket van Pleegzorg: Wat maakt jouw thuis een thuis?
Gebruik de werkvorm De Broedmachine om te zoeken naar criteria of eigenschappen van een thuis. Noteer deze denkvraag op het bord voor visuele ondersteuning.
Wat zorgt ervoor dat je je ergens thuis voelt?
Teken er een ei onder.
Vertel dat dat een moeilijke vraag is, maar dat jullie er samen op gaan broeden. Noteer deze vragen in het ei.
• Op welke plaats voel je je thuis? Waarom voel je je daar thuis?
Laat de leerlingen nadenken over de vraag en klassikaal antwoorden. Noteer de antwoorden van de leerlingen op het bord rond het ei. De antwoorden mogen van allerlei aard zijn en moeten niet beoordeeld worden op goed of fout.
Kies dan een antwoord uit. Laat de leerlingen nadenken over de redenen of de eigenschappen die maken dat het als een thuis aanvoelt. Schrijf die eigenschappen bij op het bord. Doe dat voor drie verschillende plaatsen.
Bekijk alle eigenschappen die op het bord staan. Welke vinden de leerlingen de belangrijkste?
Bepaal samen de drie belangrijkste eigenschappen, bijvoorbeeld door de leerlingen te laten stemmen en het aantal stemmen per eigenschap te turven.
Laat de leerlingen vervolgens per twee of drie nadenken over mogelijke plaatsen die voldoen aan de drie uitgekozen eigenschappen. Ze schrijven elke plaats op een aparte post-it
Maak ondertussen de flap klaar: noteer bovenaan ‘Wat maakt dat je je ergens thuis voelt?’. Schrijf de drie gekozen eigenschappen in wolkjes verspreid op de flap. Daarna mogen de leerlingen hun post-its op de flap plakken.





